| Intrafamiliaal geweld en het algemeen welzijnswerk |
 |
Het algemeen welzijnswerk bestaat uit 27 centra algemeen welzijnswerk (CAW’s) in Vlaanderen en Nederlandstalig Brussel. Deze sector groepeert verschillende werksoorten, zowel residentiële hulp (crisisopvangcentra, vrouwen- en mannenopvangcentra, vluchthuizen,…) als gezins- en relationeel werk. Alle werksoorten worden met het thema intrafamiliaal geweld geconfronteerd.
|
| Een thema in vele werksoorten |
Sommigen richten zich op specifieke doelgroepen van intrafamiliaal geweld. Zo kunnen slachtoffers van een misdrijf (waaronder intrafamiliaal geweld) terecht bij de diensten voor slachtofferhulp en worden vrouwelijke slachtoffers van partnergeweld residentieel begeleid in vluchthuizen (Rosadoc, 2003). Plegers van intrafamiliaal geweld worden begeleid binnen het kader van alternatieve gerechtelijke maatregelen vanuit een gedwongen kader van justitie.Het Algemeen Welzijnswerk heeft een hulpverleningsaanbod naar plegers van intrafamiliaal geweld. Er wordt ook projectmatig gewerkt. In Antwerpen, bijvoorbeeld, loopt een experimenteel project (Time Out) waarin men een groepstraining aanbiedt aan plegers van partnergeweld. Dit aanbod kan zowel binnen een vrijwillig als binnen een gedwongen kader van justitie geformuleerd worden. In Oost-Vlaanderen (Project Partnergeweld) werd een project opgestart om te experimenteren met een aanbod aan koppels. Algemeen kunnen we stellen dat er nog visieontwikkeling nodig is inzake IFG in het algemeen welzijnswerk. Er moet kennis ontwikkeld worden op maat van iedere werksoort om signalen op te pikken en alert te zijn voor IFG. Verder is er nood aan uitwisseling van specifieke methodieken zowel binnen de sector als intersectoraal.
| Het residentiële aanbod in vluchthuizen en vrouwenopvangcentra |
Het Vlaamse algemeen welzijnswerk beschikt over 16 vrouwenopvangcentra en 6 vluchthuizen met een respectievelijke opvangcapaciteit van 250 en 100 bedden. Thuisloze meisjes en vrouwen kunnen ook terecht in de centra voor koppels of gemengde opvang (169 bedden), crisisopvangcentra (144 bedden) en opvangcentra voor jongeren (131 bedden). Een aanzienlijk aantal vrouwen wordt verder begeleid in het ambulante begeleid wonen. In 2003 werden in de vrouwenopvangcentra 1.116 cliënten opgenomen en in de vluchthuizen 816. Deze vrouwen waren vergezeld van in totaal 336 kinderen in de vrouwenopvangcentra en 188 kinderen in de vluchthuizen[1]. Ongeveer de helft van de opgenomen vrouwen woonde voor opname in het eigen gezin (47% in de vrouwenopvangcentra en 57% in de vluchthuizen). De verblijfsduur, die vrij gelijklopend is voor beide opvangvormen, is voor 48% korter dan 1 maand. Voor 43% ligt de opnameduur tussen 1 en 6 maanden. Een langer verblijf is zeldzaam voor vrouwelijke thuislozen (9%). We mogen stellen dat vluchthuizen en vrouwenopvangcentra op meer dan volle capaciteit draaien. De gemiddelde bezettingsgraad ligt rond 85%. Op zich is dit reeds een hoge bezettingsgraad, bijvoorbeeld in vergelijking met deze in ziekenhuizen. Maar deze gemiddelden verbergen ook piekmomenten, ze hebben betrekking op het aantal bezette bedden en niet op het aantal bezette kamers. De variatie tussen de centra is bovendien groot. De bezettingsgraad varieert tussen 61% en 106% voor de vrouwenopvangcentra en tussen 51% en 100% voor de vluchthuizen. In één op drie centra is het aantal bedden op jaarbasis voor meer dan 90% bezet. De bezettingsgraad is slechts één indicator. De intensiteit van de begeleiding, de samenstelling van het gezin (aantal kinderen), de zwaarte van de individuele problematiek, de belasting van het groepsleven en de diversiteit aan nationaliteiten en culturen bepalen evenzeer de druk op de residentiële hulpverlening. Aan de instroomzijde kan aan vele hulpvragen niet voldaan worden. In 2003 kregen de vrouwenopvangcentra 2.641 vragen voor opname, de vluchthuizen 2.228. Dit betekent dat de hulpvraag van resp. 58% en 64 % van de onthaalde cliënten niét heeft geleid tot een opname. Voor een deel van deze cliënten volstond een adviesverlening, doorverwijzing of ambulante hulp maar voor het merendeel kon geen hulp geboden worden omwille van een capaciteitstekort: 69% in de vrouwenopvangcentra en 66% in de vluchthuizen[2]. Aan de uitstroomzijde is er een gebrek aan doorstromingsperspectieven. Het gevolg is dat de opvangcentra ‘dichtslibben’. Voor vrouwen die er klaar voor zijn, is het huren van een woning op de privé huurmarkt of het betrekken van een sociale woning allerminst vanzelfsprekend. Het begeleid wonen komt aan die noden ten dele tegemoet maar ook daar is de begeleidingscapaciteit aan uitbreiding toe. Toch mogen we niet uit het oog verliezen dat vele vrouwen – een meerderheid in de vluchthuizen – terugkeert naar huis en het, met zeer wisselend succes, opnieuw probeert met de partner.
De individuele hulpverlening in vluchthuizen en vrouwenopvangcentra is gericht op het krachtiger maken van de cliënt (‘empowerment’) (Van Regenmortel, 2002, Heyndrickx et al, 2005). Er wordt gewerkt rond het bepalen van grenzen en de afhankelijkheid van de vrouw. Zo wil men de weerbaarheid en de zelfredzaamheid van de vrouwen vergroten. Het leven in een leefgroep biedt de vrouw kansen om opnieuw interactie met anderen op te bouwen en zich mogelijk gesteund te voelen. Dit proces kan ondersteund worden door groepsbegeleiding. Een aantal vrouwenopvangcentra bieden naast residentiële opvang ook studio-wonen en/of begeleid wonen aan. Gekoppeld aan ambulante begeleiding kan dit institutionalisering voorkomen en biedt het kansen voor een snellere verzelfstandiging. Zij kunnen steeds terugvallen op een begeleider, wat een extra veiligheid kan bieden voor vrouwen die jaren in isolement geleefd hebben. De cliënten van vluchthuizen hebben niet allemaal de intentie hun partner te verlaten: zes op tien komen naar het vluchthuis met die expliciete bedoeling, twee vrouwen op drie twijfelen over het al dan niet continueren van de relatie. Ongeveer één vrouw op tien wil even op adem komen en daarna terug naar huis (Opdebeeck, 1993). Sommige vrouwen geven zo aan wel te willen dat het geweld stopt, maar de relatie toch willen behouden. In die zin stellen we ons de vraag of er tijdens en na de residentiële opvang niet meer moet gewerkt worden rond het begeleiden van beide partners naar een veilige terugkeer. Enkel werken met de vrouw en hoe zij haar grenzen kan aangeven, blijkt hierin onvoldoende. De pleger dient hierin betrokken te worden om verantwoordelijkheid te nemen voor de geweldpleging én om mee te zoeken naar andere mogelijkheden om conflicten te hanteren. De methodes getest in de projecten dienen nog ruimer verspreid te worden binnen de CAW’s. Wat het werken met allochtonen betreft staat een individuele benadering in zekere zin haaks op de benadering van de problemen in migrantenfamilies zelf. Voor hen is het individuele belang ondergeschikt aan dat van de familiegroep. Het versterken van het individuele belang kan in deze situaties dan ook eerder een averechts effect hebben en de familieverhoudingen verder verstoren. Onze westerse methodieken gaan uit van respect voor de grens die de cliënt zelf trekt, en beogen vooral versterking van het ‘ik’ van de individuele cliënt. Maar problemen en conflicten doen zich bij allochtonen dikwijls voor in relatie tot de sociale, religieuze, politieke en familiesituatie in het land van herkomst. Deze benadering van het conflict verdwijnt uit het oog als het individu centraal wordt gesteld. Het ‘ik’ kan alleen versterkt worden in relatie tot het ‘groep-ik’. Het systeem van relaties en de codes die daarin van belang zijn, moeten bij de hulpverlening worden betrokken.
| Aandacht voor de kinderen |
Kinderen zijn ongewild getuigen van IFG. Kinderen die met hun moeders mee vluchten naar vluchthuizen, crisisopvangcentra en vrouwenopvangcentra hebben zowat per definitie geweld, angst, schaamte en vernedering ondergaan. Dikwijls voelen ze zich schuldig en machteloos. Ze hebben passief moeten toezien hoe diegene waarvan ze houden, werd mishandeld. Bovendien betekent een opname in een opvangcentrum het verlies van hun vertrouwde omgeving en moeten ze hun persoonlijke spullen voor een groot deel achterlaten. De gevolgen zijn veelvuldig en uiteenlopend maar beschadigd zijn ze allemaal. Sommige kinderen raken daardoor erg geïsoleerd. Anderen zijn dan weer juist heel veerkrachtig en sociaal vaardig. Sommigen vertonen gedragsproblemen, anderen hebben last van psychosomatische klachten. Puberteitsproblemen worden groter. De kans is groot dat deze kinderen er later zelf moeilijk in zullen slagen evenwichtige relaties uit te bouwen. Ze hebben daarvan geen voorbeeld gehad. Mogelijk bestaat er een verhoogd risico dat zij later zelf plegers worden. Dit is echter niet vanzelfsprekend: een meerderheid van kinderen die zelf mishandeld zijn blijkt in staat later zorgzame ouders te worden (Dutton, 1994, Widom, 1989). De begeleiding van kinderen is nog onvoldoende. In de vluchthuizen en vrouwenopvangcentra groeit het besef dat het begeleiden van kinderen zeer belangrijk is. In een aantal centra is een kinderwerking aanwezig maar lang niet in alle. Een ‘kinderwerker’, die activiteiten organiseert om de kinderen te ontspannen en nuttig bezig te houden, is te onderscheiden van een ‘kinderhulpverlener’, die een individuele begeleiding op maat van het kind kan bieden. Niet alle centra hebben beiden. Eén van de uitgangspunten is dat de relatie moeder-kind respectvol wordt behandeld, dat het nooit de bedoeling is de rol van de moeder over te nemen. De moeder wordt ondersteund in haar rol als opvoeder. Méér is vaak ook niet mogelijk, omdat het merendeel van de opgevangen kinderen zeer jong is. Toch zou het goed zijn als in de toekomst meer aandacht zou gaan naar het preventieve luik; dat er gewerkt wordt met de kinderen rond het thema geweld en relaties, met aandacht voor rolpatronen en door te zoeken naar constructieve oplossingen voor conflicten (zie hierover Vandewalle, 2003 en De Waele, 2004).
| NOTEN > |
[1] Nog eens 65 cliënten werden ambulant begeleid, voornamelijk door vluchthuizen die naast residentiële opvang meer en meer een ambulant aanbod van vroeghulp of outreach work aanbieden. [2] Tellus 2003 – Cliëntregistratie autonoom Algemeen Welzijnswerk, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk
|
|