Over ons|Producten
E-zine april 2006
Mini-OCMW-decreet | Beleidssignalen | Externe rechtspositie van gedetineerden | Strategisch plan gedetineerden | Denktank wonen welzijn | Werkgroep cliëntparticipatie | Werkgroep daklozen en MZP | rechtspositie minderjarigen | JeugdbeleidsplanEnkelepagina-Modus

Wetsontwerp ‘Externe rechtspositie van gedetineerden’

Het Belgisch penitentiair beleid is in beweging. Na decennia verwaarlozing wordt vandaag werk gemaakt van een wettelijk kader voor de uitvoering van de gevangenisstraf gestoeld op een rechtspositionele benadering van gedetineerden. Een wettelijk kader moet rechtsgelijkheid en rechtszekerheid brengen, meer duidelijkheid voor alle betrokken partijen en meer transparantie in de doelstellingen van de gevangenisstraf, de procedures en de uitvoering ervan. Het wetsontwerp betreffende de externe rechtspositie van gedetineerden is te lezen in samenhang met het wetsontwerp ‘Strafuitvoeringsrechtbanken’ en met de Basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden (12 januari 2005), en bouwt verder op volgende leidende principes: legaliteit, schadebeperking, responsabilisering, participatie en een op reïntegratie en herstel gerichte invulling van de detentie.

Met de opvang, begeleiding en structurele ondersteuning van verdachten, daders en slachtoffers van delicten is het Algemeen Welzijnswerk al jaren actief op het raakvlak welzijn – justitie.  Vanuit deze praktijk onderschrijft het Algemeen Welzijnswerk voornoemde principes en worden de recente ontwikkelingen op weg naar een hernieuwd penitentiair beleid toegejuicht.

Het ‘wetsontwerp externe rechtspositie’ getuigt van de fundamentele keuze over te stappen van een gunsten- naar een rechtenregime voor wat betreft de toekenning van verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten. Wij hopen ten zeerste dat deze keuze doorheen de parlementaire besprekingen overeind blijft.


Na lezing van voorliggend ontwerp formuleren wij enkele kritieken, kanttekeningen.

Een kwantitatieve grens van 3 jaar i.t.t. een kwalitatieve, geïndividualiseerde benadering

Het voorliggend wetsontwerp bouwt verder op de huidige praktijk waarbij veroordeelden met een straf (met een uitvoerbaar deel) van meer dan 3 jaar via een andere procedure en onder andere voorwaarden dan zij die korter gestraft zijn de gevangenis kunnen verlaten. Opdat hij voorwaardelijk kan vrijkomen zal de langgestrafte een reclasseringsplan moeten voorleggen, zijn dossier wordt behandeld door de multidisciplinaire strafuitvoeringsrechtbank. De kortgestrafte verschijnt zonder reclasseringsplan in handen voor een alleenzetelend rechter. Deze keuze bouwt verder op de vooronderstelling dat de problematiek van veroordeelden tot kortere straffen minder complex of minder ernstig is, minder voorbereidend of reclasserend werk vraagt, ook minder opvolging en controle eist,… dan het geval is bij veroordeelden tot langere gevangenisstraffen. De realiteit leert dat deze abstracte juridische grens geen maatstaf is om dit te bepalen. De strafmaat zegt weinig over de persoon van de gedetineerde en diens reclasseringsvooruitzichten.


Het reclasseringsplan; wat en hoe?

Art. 48 stelt dat het dossier van de veroordeelde – tot een straf van meer dan 3 jaar - een sociaal reclasseringsplan dient te bevatten waaruit de perspectieven op reclassering van de veroordeelde blijken. Hoewel een noodzakelijk en centraal element in het dossier van de veroordeelde worden de inhoudelijke lijnen van dit reclasseringsplan niet in de wet uitgewerkt. We moeten het wat dit centraal gegeven betreft dus met veronderstellingen doen. In de artikelsgewijze toelichting (stuk 3-1128/1) gaf de minister terzake een vage aanwijzing: “hoe tegenaanwijzingen op vlak van reclassering zullen ondervangen worden, … focus op de toekomst op grond van objectieve en niet van morele gegevens, … een concreet reclasseringsproject”.


Op welke elementen zal dit plan worden geëvalueerd?

In dit verband moet de vraag gesteld of ook de houding van de veroordeelde ten aanzien van het slachtoffer en/of zijn inspanningen om de schade – in materiële of andere zin – te herstellen in dit reclasseringsplan dient opgenomen.  Opmerkelijk is dat ‘de houding van de gedetineerde ten aanzien van de slachtoffers’ als tegenaanwijzing in de wet op de voorwaardelijke invrijheidstelling van 5 maart 1998 in het voorliggend ontwerp niet is weerhouden. In de memorie van toelichting argumenteert de minister dat de belangen van het slachtoffer belangrijk zijn maar dat dit een vage en moeilijk te gebruiken uitdrukking is.  Met oog op een rechtsgelijke behandeling mag verwacht worden dat de wet wat de inhoud en reikwijdte van het reclasseringsplan betreft meer duidelijkheid en richting geeft!

Ook de totstandkoming van dit reclasseringsplan roept vragen op. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het aan de bevoegde diensten (“psychosociale dienst van de gevangenis/PSD of externe dienst”) toekomt om een proactieve houding aan te nemen en samen met de veroordeelde aan de reclassering te werken; het is aan deze diensten dat het initiatief tot verwezenlijking van een reclasseringsplan toekomt. De veroordeelde mag hiermee echter niet ontslaan worden van de eigen verantwoordelijkheid. Integendeel: hem actief aanspreken, motiveren en bijstaan moet er net op gericht zijn hem de nodige middelen in handen te geven om zélf verantwoordelijkheid voor zijn sociale reclassering op te nemen. Misschien moet in dit verband duidelijker gesteld dat niet de ‘bevoegde diensten’ maar de veroordeelde zélf eigenaar is van en verantwoordelijk is voor zijn reclasseringsplan?


Het advies van de gevangenisdirectie?

Voor alle strafuitvoeringsmodaliteiten is een voorafgaand advies van de directeur van de gevangenis vereist. Voor de beperkte hechtenis, elektronisch toezicht en voorwaardelijke invrijheidstelling is in art. 31 opgenomen dat de directeur hiertoe een dossier opmaakt waarin ondermeer ‘het verslag van de directeur’ is opgenomen. Het ontwerp biedt geen duidelijkheid over de inhoud en totstandkoming van dit verslag. Wordt de veroordeelde door de directeur gehoord? Zal hier legio de actuele werking van de personeelscolleges een multidisciplinaire aanpak voorop staan? Zal de psychosociale dienst van de gevangenis in dit verslag in haar advies- en expertiseopdracht erkend worden?


Het personeelscollege: een lege doos?

Het wetsontwerp stapt af van het personeelscollege als filter, beslissend tussenorgaan in de besluitvoering inzake de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten. Dit is een belangrijke stap vooruit. In art. 31 is opgenomen dat de veroordeelde nog wel , op zijn verzoek, kan gehoord worden door het personeelscollege. Desgevallend worden ook de opmerkingen van het personeelscollege aan het dossier dat de gevangenisdirecteur opbouwt toegevoegd. Ook deze keuze roept vragen op. Waarom deze onduidelijke, dubbelzinnige constructie? Wat is nog de rol en het statuut van het personeelscollege ? Wat is de waarde van haar advies? Hoe verhoudt dit advies zich tot het (al dan niet multidisciplinair) verslag van de gevangenisdirecteur? Wordt verzekerd dat alle gedetineerden geïnformeerd zijn opdat zij – rechtsgelijk – toegang kunnen vinden tot dit forum?


Art. 41: de termijn voor begeleiding of behandeling

Art. 41 stelt dat de strafuitvoeringsrechter bij welbepaalde feiten aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde een begeleiding of behandeling bij een gespecialiseerde dienst voor seksuele delinquentie kan opleggen. Bovendien, zo stelt het ontwerp, bepaalt de rechter in deze gevallen de termijn gedurende dewelke de veroordeelde deze begeleiding of behandeling moet volgen. Deze therapeutische inschatting is niet aan de rechter; het is niet aangewezen dat de rechter de termijn voor behandeling of begeleiding bepaalt. Het behoort tot de deskundigheid van de betreffende diensten aan te geven hoe lang de aangewezen begeleiding of behandeling nodig geacht wordt.


De budgettaire implicaties

De uitvoering van voorliggend wetsontwerp, samenhangend met het ‘wetsontwerp houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken’, vraagt aanzienlijke budgettaire impulsen:

  • omschakeling van de huidige VI-Commissies naar de Strafuitvoeringsrechtbanken vraagt aanzienlijke versterking gezien de actuele overbelasting van VI-commissies enerzijds, en aanzienlijke bevoegdheidsuitbreiding voor de strafuitvoeringsrechtbank anderzijds.
  • het parket bij de strafuitvoeringsrechtbank dient versterkt met oog op systematische adviesverlening, controle van de maatregelen, initiatiefbevoegdheid bij schorsing, herziening of herroeping.
  • Het ontwerp stelt dat de psychosociale diensten van de gevangenis een proactieve houding tav alle gedetineerden dienen aan te nemen met oog op de opmaak van het reclasseringsplan. Vandaag kennen deze diensten in heel wat gevangenissen een schrijnende onderbemanning.
  • De justitiehuizen dienen versterkt ifv sociale enquêtering, verslaggeving en opvolging van veroordeelden.
  • De diensten slachtofferonthaal hebben de opdracht alle slachtoffers te informeren mbt hun recht op informatie en/of verhoord mbt de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten.

Zonder aanzienlijke financiële versterking op verschillende terreinen zullen beide wetten dode letter blijven.

| Lees Meer |

Voor meer info kan u terecht bij:
Tina Demeersman
Stafmedewerkster Justitieel Welzijnswerk
Tina.demeersman@steunpunt.be
03 340.49.19

STEUNPUNT ALGEMEEN WELZIJNSWERK vzw - Diksmuidelaan 36a - 2600 Berchem - Tel.: 03 366 15 40 - Fax: 03 385 57 05 - post@steunpunt.be
Alle rechten voorbehouden - DISCLAIMER - Technische realisatie: HolonCom - Ontwerp: Crozz Communication