communitysoft|Producten|Thema's|Nieuwe pagina (naam opgeven)
E-zine april 2006
Multi Page Mode

vrijdag 21 april 2006 Persmededeling van de Vlaamse Regering

De Vlaamse Regering keurde op voorstel van minister van Binnenlands Bestuur Marino KEULEN het voorontwerp van mini-OCMW-decreet principieel goed. Het voorontwerp, dat opgesteld werd in overleg met de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten (VVSG), gaat nu voor advies naar de SERV, de Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur en de Raad van State. Met dit eerste voorontwerp van OCMW-decreet regelt de Vlaamse Regering de bestuurlijke organisatie van het OCMW (de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, het Vast Bureau, de diensten) volgens dezelfde principes als deze uit het gemeentedecreet. In een nog op te stellen tweede voorontwerp komt de bestuurlijke organisatie van het OCMW met betrekking tot personeel, financiën en toezicht aan bod. De voorbereidingen voor dit tweede voorontwerp zullen van start gaan in mei. De minister wil dit tweede voorontwerp van OCMW-decreet begin 2007 kunnen voorleggen aan de Vlaamse Regering. 


Efficiënte samenwerking gemeente en OCMW


Minister Marino Keulen heeft dit eerste voorontwerp van mini-OCMW-decreet nu al aan de Vlaamse Regering voorgelegd omdat het zo mogelijk wordt de wijzigingen bij de verkiezing van de nieuwe OCMW-raadsleden en de installatie van de nieuwe OCMW-raden te laten ingaan vanaf 2007, dus samen met de wijzigingen die het gemeentedecreet invoert voor de gemeenteraad en de gemeente. In beide ontwerpen van OCMW-decreet wil de minister immers de organisatie van de gemeente en het OCMW maximaal op elkaar afstemmen om de onderlinge samenwerking zo efficiënt mogelijk te laten verlopen.


De belangrijkste vernieuwingen uit het eerste voorontwerp van mini-OCMW-decreet, zijn de volgende:

  • Vanaf 2007 zullen de leden van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn al verkozen worden op de installatievergadering van de gemeenteraad. Dit zal de Raad toelaten om vanaf de start van de lokale bestuursperiode aan de slag te gaan. Totnogtoe was dit begin april van het jaar volgend op de gemeenteverkiezingen.
  • De OCMW-voorzitter kan, na zijn verkiezing door de raad, volwaardig lid worden van het college van burgemeester en schepenen. Deze mogelijkheid wordt een verplichting vanaf 2013. Deze vernieuwing bevordert de coördinatie van het beleid tussen beide lokale besturen.
  • De burgemeester kan de vergaderingen van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn bijwonen. Hij of zij (en niet een schepen) kan bovendien gemotiveerd de beslissing over een agendapunt van de Raad uitstellen.
  • In de Raad voor Maatschappelijk Welzijn en het Vast Bureau moeten voortaan beide geslachten vertegenwoordigd zijn.
  • De gemeenteraad kan ervoor opteren om maximaal twee ondervoorzitters van het OCMW te laten verkiezen. Voorafgaand moet de gemeenteraad dan wel het aantal schepenen met evenveel mandaten verminderen. Er worden door deze vernieuwing dus geen bijkomende uitvoerende mandaten gecreëerd. Deze mogelijkheid is vooral interessant voor steden en gemeenten met een belangrijke OCMW-werking. De OCMW-ondervoorzitter(s) ondersteunt dan de OCMW-voorzitter in de dagelijkse leiding van het OCMW en de instellingen die ervan afhangen: ziekenhuizen, bejaardenhuizen, dienstencentra, OCMW-administratie enzovoort. Het gaat bij bepaalde OCMW?s om omvangrijke budgetten en veel personeelsleden.
  • Op administratief-organisatorisch vlak wordt het mogelijk dat gemeente en OCMW ondersteunende diensten (zoals personeelsmanagement, financiën, logistiek) gemeenschappelijk organiseren of van gemeenschappelijke infrastructuur gebruik maken. Voor lokale besturen die dat wensen, wordt het zelfs mogelijk te werken met gemeenschappelijke personeelsleden voor gemeente en OCMW, tot en met de topambtenaren. Deze samenwerking moet geregeld worden in een beheersovereenkomst tussen beide lokale besturen in de gemeente.

Voor meer informatie kunt u terecht bij:
Dhr. Peter Dejaegher, woordvoerder van minister Keulen
Tel.: 02-552 65 10
Gsm: 0478-90 89 57 
persdienst.keulen@vlaanderen.be

Multi Page Mode

Nieuwe rubriek ‘signalen’ op de steunpuntwebsite

De Centra Algemeen Welzijnswerk hebben de wettelijke opdracht om problemen die zij in de samenleving zien vanuit hun hulpverleningspraktijk aan het beleid te signaleren. Het gaat dan om probleemsituaties die niet kunnen of onrechtvaardig zijn. Beleidssignalering is een kwestie van gezonde verontwaardiging en een aspect van professionele hulpverlening. De meeste CAW's hebben interne afspraken over hoe zij met beleidssignalen omgaan.
Ook het Steunpunt heeft hier een eigen verantwoordelijkheid en wil beleidssignalen van CAW's meer systematisch ondersteunen. Dit kan op allerlei manieren, helpen bij het formuleren van een beleidsignaal, meezoeken naar de juiste beleidsinstantie waarnaar een signaal moet gaan, het signaal bespreken op een overleggroep, het signaal open trekken naar andere CAW's en er een dossier over opmaken. Als een bijkomende manier van ondersteuning voorzien wij op deze website ook een afzonderlijke rubriek of pagina voor beleidssignalen vanuit de CAW's. De bedoeling is deze rubriek actief te gebruiken. Beleidsmensen zullen verwittigd worden dat een signaal op deze website staat. Onze elektronische nieuwsbrief zal regelmatig naar deze rubriek verwijzen. Het is ook de bedoeling dat CAW's zo zien welke signalen er leven bij andere CAW's. Cruciaal is natuurlijk dat telkens vermeld zal worden wat er met het signaal gebeurd is.

Om het werken met de rubriek ‘ signalen’ vlot te laten verlopen werden met de CAW's een aantal afspraken gemaakt.

Een signaal dat opgenomen wordt in de rubriek ‘signaal’ moet aan een aantal criteria beantwoorden:

  • Het betreft problemen die mee bepaald worden op Vlaams of federaal niveau.
  • Het probleem waarover het gaat is meerdere keren vastgesteld, het gaat niet om een alleenstaand feit.
  • Het betreft geen punten van belangenbehartiging voor individuele CAW's of de gehele sector (hiervoor bestaan andere kanalen)
  • Een signaal vermeldt minstens één CAW of het Steunpunt als bron zodanig dat duidelijk is wie garant staat voor de inhoud en wie bereid het signaal toe te lichten (bv aan persmensen)
  • Een voorstel van signaal vermeldt minstens wat door wie werd vastgesteld, wat juist het probleem is, argumenten over de ernst van het probleem, wat mogelijk oorzaken en gevolgen zijn, wie betrokken instanties zijn en met wie het signaal reeds besproken is of aan wie het is overgemaakt. In de mate van het mogelijke zegt een signaal ook iets over mogelijke oplossingen.
  • Wij zijn voorzichtig met het vermelden van namen van organisaties of personen. Als een voorstel van signaal opmerkingen bevat over organisaties of personen dan worden deze opmerkingen in ieder geval eerst bij hen getoetst.

Een voorstel van signaal wordt rechtstreeks aan het Steunpunt bezorgd via het elektronisch invulformulier ‘signaal geven’. Je vind dit formulier in de rubriek ‘signaal’. Voor ondersteuning bij het invullen kan je ook beroep doen op jan.vos@steunpunt.be of bellen naar Jan Vos 03/340.49.11.

Vooraleer een voorstel van signaal op de website gezet wordt zal advies gevraagd worden aan de stafmedewerker die op het betrokken terrein actief is. Ga naar de pagina op de website

Meer info:
Jan Vos
Steunpunt stafmedewerker
03/ 340.49.11
jan.vos@steunpunt.be

 

Multi Page Mode

Wetsontwerp ‘Externe rechtspositie van gedetineerden’

Het Belgisch penitentiair beleid is in beweging. Na decennia verwaarlozing wordt vandaag werk gemaakt van een wettelijk kader voor de uitvoering van de gevangenisstraf gestoeld op een rechtspositionele benadering van gedetineerden. Een wettelijk kader moet rechtsgelijkheid en rechtszekerheid brengen, meer duidelijkheid voor alle betrokken partijen en meer transparantie in de doelstellingen van de gevangenisstraf, de procedures en de uitvoering ervan. Het wetsontwerp betreffende de externe rechtspositie van gedetineerden is te lezen in samenhang met het wetsontwerp ‘Strafuitvoeringsrechtbanken’ en met de Basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden (12 januari 2005), en bouwt verder op volgende leidende principes: legaliteit, schadebeperking, responsabilisering, participatie en een op reïntegratie en herstel gerichte invulling van de detentie.

Met de opvang, begeleiding en structurele ondersteuning van verdachten, daders en slachtoffers van delicten is het Algemeen Welzijnswerk al jaren actief op het raakvlak welzijn – justitie.  Vanuit deze praktijk onderschrijft het Algemeen Welzijnswerk voornoemde principes en worden de recente ontwikkelingen op weg naar een hernieuwd penitentiair beleid toegejuicht.

Het ‘wetsontwerp externe rechtspositie’ getuigt van de fundamentele keuze over te stappen van een gunsten- naar een rechtenregime voor wat betreft de toekenning van verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten. Wij hopen ten zeerste dat deze keuze doorheen de parlementaire besprekingen overeind blijft.


Na lezing van voorliggend ontwerp formuleren wij enkele kritieken, kanttekeningen.

Een kwantitatieve grens van 3 jaar i.t.t. een kwalitatieve, geïndividualiseerde benadering

Het voorliggend wetsontwerp bouwt verder op de huidige praktijk waarbij veroordeelden met een straf (met een uitvoerbaar deel) van meer dan 3 jaar via een andere procedure en onder andere voorwaarden dan zij die korter gestraft zijn de gevangenis kunnen verlaten. Opdat hij voorwaardelijk kan vrijkomen zal de langgestrafte een reclasseringsplan moeten voorleggen, zijn dossier wordt behandeld door de multidisciplinaire strafuitvoeringsrechtbank. De kortgestrafte verschijnt zonder reclasseringsplan in handen voor een alleenzetelend rechter. Deze keuze bouwt verder op de vooronderstelling dat de problematiek van veroordeelden tot kortere straffen minder complex of minder ernstig is, minder voorbereidend of reclasserend werk vraagt, ook minder opvolging en controle eist,… dan het geval is bij veroordeelden tot langere gevangenisstraffen. De realiteit leert dat deze abstracte juridische grens geen maatstaf is om dit te bepalen. De strafmaat zegt weinig over de persoon van de gedetineerde en diens reclasseringsvooruitzichten.


Het reclasseringsplan; wat en hoe?

Art. 48 stelt dat het dossier van de veroordeelde – tot een straf van meer dan 3 jaar - een sociaal reclasseringsplan dient te bevatten waaruit de perspectieven op reclassering van de veroordeelde blijken. Hoewel een noodzakelijk en centraal element in het dossier van de veroordeelde worden de inhoudelijke lijnen van dit reclasseringsplan niet in de wet uitgewerkt. We moeten het wat dit centraal gegeven betreft dus met veronderstellingen doen. In de artikelsgewijze toelichting (stuk 3-1128/1) gaf de minister terzake een vage aanwijzing: “hoe tegenaanwijzingen op vlak van reclassering zullen ondervangen worden, … focus op de toekomst op grond van objectieve en niet van morele gegevens, … een concreet reclasseringsproject”.


Op welke elementen zal dit plan worden geëvalueerd?

In dit verband moet de vraag gesteld of ook de houding van de veroordeelde ten aanzien van het slachtoffer en/of zijn inspanningen om de schade – in materiële of andere zin – te herstellen in dit reclasseringsplan dient opgenomen.  Opmerkelijk is dat ‘de houding van de gedetineerde ten aanzien van de slachtoffers’ als tegenaanwijzing in de wet op de voorwaardelijke invrijheidstelling van 5 maart 1998 in het voorliggend ontwerp niet is weerhouden. In de memorie van toelichting argumenteert de minister dat de belangen van het slachtoffer belangrijk zijn maar dat dit een vage en moeilijk te gebruiken uitdrukking is.  Met oog op een rechtsgelijke behandeling mag verwacht worden dat de wet wat de inhoud en reikwijdte van het reclasseringsplan betreft meer duidelijkheid en richting geeft!

Ook de totstandkoming van dit reclasseringsplan roept vragen op. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het aan de bevoegde diensten (“psychosociale dienst van de gevangenis/PSD of externe dienst”) toekomt om een proactieve houding aan te nemen en samen met de veroordeelde aan de reclassering te werken; het is aan deze diensten dat het initiatief tot verwezenlijking van een reclasseringsplan toekomt. De veroordeelde mag hiermee echter niet ontslaan worden van de eigen verantwoordelijkheid. Integendeel: hem actief aanspreken, motiveren en bijstaan moet er net op gericht zijn hem de nodige middelen in handen te geven om zélf verantwoordelijkheid voor zijn sociale reclassering op te nemen. Misschien moet in dit verband duidelijker gesteld dat niet de ‘bevoegde diensten’ maar de veroordeelde zélf eigenaar is van en verantwoordelijk is voor zijn reclasseringsplan?


Het advies van de gevangenisdirectie?

Voor alle strafuitvoeringsmodaliteiten is een voorafgaand advies van de directeur van de gevangenis vereist. Voor de beperkte hechtenis, elektronisch toezicht en voorwaardelijke invrijheidstelling is in art. 31 opgenomen dat de directeur hiertoe een dossier opmaakt waarin ondermeer ‘het verslag van de directeur’ is opgenomen. Het ontwerp biedt geen duidelijkheid over de inhoud en totstandkoming van dit verslag. Wordt de veroordeelde door de directeur gehoord? Zal hier legio de actuele werking van de personeelscolleges een multidisciplinaire aanpak voorop staan? Zal de psychosociale dienst van de gevangenis in dit verslag in haar advies- en expertiseopdracht erkend worden?


Het personeelscollege: een lege doos?

Het wetsontwerp stapt af van het personeelscollege als filter, beslissend tussenorgaan in de besluitvoering inzake de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten. Dit is een belangrijke stap vooruit. In art. 31 is opgenomen dat de veroordeelde nog wel , op zijn verzoek, kan gehoord worden door het personeelscollege. Desgevallend worden ook de opmerkingen van het personeelscollege aan het dossier dat de gevangenisdirecteur opbouwt toegevoegd. Ook deze keuze roept vragen op. Waarom deze onduidelijke, dubbelzinnige constructie? Wat is nog de rol en het statuut van het personeelscollege ? Wat is de waarde van haar advies? Hoe verhoudt dit advies zich tot het (al dan niet multidisciplinair) verslag van de gevangenisdirecteur? Wordt verzekerd dat alle gedetineerden geïnformeerd zijn opdat zij – rechtsgelijk – toegang kunnen vinden tot dit forum?


Art. 41: de termijn voor begeleiding of behandeling

Art. 41 stelt dat de strafuitvoeringsrechter bij welbepaalde feiten aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde een begeleiding of behandeling bij een gespecialiseerde dienst voor seksuele delinquentie kan opleggen. Bovendien, zo stelt het ontwerp, bepaalt de rechter in deze gevallen de termijn gedurende dewelke de veroordeelde deze begeleiding of behandeling moet volgen. Deze therapeutische inschatting is niet aan de rechter; het is niet aangewezen dat de rechter de termijn voor behandeling of begeleiding bepaalt. Het behoort tot de deskundigheid van de betreffende diensten aan te geven hoe lang de aangewezen begeleiding of behandeling nodig geacht wordt.


De budgettaire implicaties

De uitvoering van voorliggend wetsontwerp, samenhangend met het ‘wetsontwerp houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken’, vraagt aanzienlijke budgettaire impulsen:

  • omschakeling van de huidige VI-Commissies naar de Strafuitvoeringsrechtbanken vraagt aanzienlijke versterking gezien de actuele overbelasting van VI-commissies enerzijds, en aanzienlijke bevoegdheidsuitbreiding voor de strafuitvoeringsrechtbank anderzijds.
  • het parket bij de strafuitvoeringsrechtbank dient versterkt met oog op systematische adviesverlening, controle van de maatregelen, initiatiefbevoegdheid bij schorsing, herziening of herroeping.
  • Het ontwerp stelt dat de psychosociale diensten van de gevangenis een proactieve houding tav alle gedetineerden dienen aan te nemen met oog op de opmaak van het reclasseringsplan. Vandaag kennen deze diensten in heel wat gevangenissen een schrijnende onderbemanning.
  • De justitiehuizen dienen versterkt ifv sociale enquêtering, verslaggeving en opvolging van veroordeelden.
  • De diensten slachtofferonthaal hebben de opdracht alle slachtoffers te informeren mbt hun recht op informatie en/of verhoord mbt de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten.

Zonder aanzienlijke financiële versterking op verschillende terreinen zullen beide wetten dode letter blijven.

| Lees Meer |

Voor meer info kan u terecht bij:
Tina Demeersman
Stafmedewerkster Justitieel Welzijnswerk
Tina.demeersman@steunpunt.be
03 340.49.19

Multi Page Mode

Strategisch plan voor hulp- en dienstverlening aan gedetineerden: tweede opvolgings- en evaluatierapport

Op 17 maart 2006 overhandigde de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin het tweede opvolgings- en evaluatierapport over het strategisch plan voor de hulp- en dienstverlening aan gedetineerden aan de Vlaamse regering.

De Vlaamse regering wil immers zorgvuldig kunnen opvolgen hoe de uitvoering van het Vlaamse hulp- en dienstverleningsaanbod in de pilootgevangenissen verloopt, enerzijds op het vlak van kwaliteit en differentiatie van het aanbod en anderzijds op het vlak van samenwerking tussen de Vlaamse voorzieningen onderling en tussen deze laatste en de personeelsleden van de gevangenissen. Dit moet de Vlaamse regering toelaten de juiste beslissingen te nemen met het oog op bijsturing en verdere uitbreiding van het strategisch plan.

De Vlaamse Gemeenschap formuleerde in het Strategisch Plan haar missie op het vlak van de hulp- en dienstverlening aan gedetineerden als volgt :

De Vlaamse gemeenschap waarborgt het recht van alle gedetineerden en hun directe sociale omgeving op een kwaliteitsvolle hulp- en dienstverlening zodat ook zij zich volwaardig en harmonisch kunnen ontplooien in de samenleving.


Om deze missie te realiseren werden 5 strategieën geformuleerd:

  • 1. De uitbouw van een kwalitatief hoogstaand aanbod van hulp- en dienstverlening dat
  • 2. op een aangepaste wijze geprofileerd wordt naar de gedetineerden toe
  • 3. uitgevoerd wordt in geëigende samenwerkingsvormen en organisatiestructuren
  • 4. waarvoor een stevig maatschappelijk draagvlak gecreëerd wordt
  • 5. en een goede personeels- en organisatieontwikkelingspolitiek gevoerd wordt.

Dit tweede opvolgings- en evaluatierapport behandelt de voornaamste evoluties over de periode 2003 tot op heden en bevat ook aanbevelingen m.b.t. ontwikkelingen op het terrein, het overleg met justitie en aanbevelingen op het Vlaams beleidsniveau.


Er werd daarnaast ook een overzicht gemaakt van het hulp- en dienstverleningsaanbod in de gevangenissen uit de pilootregio van het strategisch plan (Antwerpen, Brugge, Hoogstraten, Merksplas, Turnhout en Wortel) in 2005, en van de participatie van gedetineerden aan dit aanbod.

| Welzijn en Justitie |

Multi Page Mode

Denktank wonen welzijn rondt advies af over sociale diensten voor huisvestingsmaatschappijen

Op 31 maart rondde de denktank wonen-welzijn een advies af dat er toe moet leiden dat er binnen sociale huisvestingsmaatschappijen gesubsidieerde sociale diensten komen. De denktank werd opgericht door de Vlaamse ministers voor huisvesting en welzijn en formuleert samenwerkingsvoorstellen tussen beide sectoren. Tot op heden voorzag de subsidiëring van de sociale huisvestingsmaatschappijen geen mogelijkheid om hiermee een sociale dienst te bekostigen. Dit kon enkel via de huuropbrengsten gebeuren. Sociaal zwakkere huurders werden hierdoor benadeeld omdat zijzelf financieel dienden op te draaien voor een sociale dienst. Met het advies van de denktank wonen welzijn kan hieraan een einde gesteld worden, omdat men een onafhankelijk gesubsidieerde sociale dienst voorziet.

Het advies voorziet ook in een taakafbakening en samenwerking met de OCMW’s het algemeen welzijnswerk en andere welzijnsactoren.

Voor het algemeen welzijnswerk is dit advies om twee redenen belangrijk. Ten eerste hebben we daardoor een beter aanspreekpunt bij de sociale huisvestingsmaatschappijen waardoor de samenwerking alleen maar kan verbeteren. Maar belangrijker is nog dat de sociale dienst welzijnsproblemen van sociale huurders ten dele zelf zal kunnen oplossen of sneller zal kunnen doorverwijzen zodat problemen niet escaleren.

De ervaring uit bv. de pilootprojecten begeleid wonen wijst uit dat vroegtijdige probleemdetectie een belangrijke preventieve functie heeft.

Meer info:
Danny Lescrauwaet
Steunpunt stafmedewerker
03/ 340.49.12
danny.lescrauwaet@steunpunt.be

Multi Page Mode

Steunpunt voorzitter werkgroep Féantsa.

Sedert dit jaar neemt het Steunpunt het voorzitterschap waar van de nieuwe werkgroep cliëntparticipatie van de Europese koepel van de thuislozenzorg.
In de schoot van Féantsa opereren diverse werkgroepen die een adviserende functie hebben t.a.v. de beleidsinstanties van Féantsa.In 2006 werd een nieuwe werkgroep in het leven geroepen die adviezen zal formuleren om in alle niveaus van de zorg voor thuislozen de participatie van de doelgroep te verbeteren. Ook het aanreiken van methodieken behoort tot de opdracht van de werkgroep. De werkgroep bestaat uit leden die reeds ervaring terzake hebben en dit zowel vanuit doelgroep- als dienstverlenende organisaties. Deelnemers zijn afkomstig uit Duitsland, Denemarken, Ierland, Engeland, Spanje en België.

Meer info:
Danny Lescrauwaet
Steunpunt stafmedewerker
03/ 340.49.12
danny.lescrauwaet@steunpunt.be

Multi Page Mode

Federale werkgroep daklozen en mensen zonder papieren

In opvolging van de interministeriële conferentie over stedelijk beleid en armoedebestrijding van juli vorig jaar, werd een werkgroep daklozen en mensen zonder papieren opgericht. Hieronder een beknopt verslag van de werkzaamheden. Deze werkgroep dient voorstellen tot verbetering van de opvang te formuleren. De werkgroep wordt voorgezeten door kabinetsmedewerkers van de minister voor maatschappelijke integratie (federaal) en welzijn (Vlaanderen). Daarnaast maakt ook het kabinet binnenlandse zaken, het Brussels gewest en de Franse Gemeenschap deel uit van de werkgroep.

Vanuit de doelgroep zijn verschillende daklozencomités betrokken. Het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk werd als deskundige gevraagd om deel te nemen samen met de Bico-federatie en de AMA. Tot op heden werden volgende onderwerpen behandeld : overzicht van het aanbod, registratie, het referentieadres en de opvang voor mensen zonder papieren.

Vanuit onze ervaring in het opvangproject werden verschillende mogelijke oplossingspistes aangereikt om het ontbreken van een dagprijsregeling voor deze doelgroep te ondervangen. Hetzij via het voorzien van een fonds voor terugbetaling van de verblijfskosten, hetzij via het voorzien van opvangmogelijkheden waarvoor noodlijdende mensen zonder papieren geen dagprijs moeten betalen.

Op de volgende bijeenkomst van de werkgroep staat o.a. het voorkomen van thuisloosheid op de agenda.

Multi Page Mode

Het decreet rechtspositie minderjarigen in de praktijk?

We naderen stilaan 1 juli en dat is het moment dat het decreet rechtspositie minderjarigen, in integrale jeugdhulpverlening, in werking treedt. Op zich is dit een goede zaak, maar de toepassing van het decreet roept heel wat vragen op en die wachten uiteraard op een antwoord. Zo zijn er vragen die intersectoraal gelden, maar er zijn ook aspecten die zeer specifiek zijn voor de sector van het algemeen welzijnswerk.

Geen nood , er wordt allerlei ondersteuning voorzien om op termijn de implementatie van het dercreet te vergemakkelijken.

Eerst en vooral vinden er in mei verschillende regionale dagen plaats, georganiseerd door het beleidsondersteunend team (BOT): op deze dagen is het de bedoeling dat het werkveld geïnformeerd wordt over de actieplannen inzake informatie, vorming én procesondersteuning.

Op elke regiodag is er ook iemand van de administratie algemeen welzijnswerk of het steunpunt aanwezig om op vragen te antwoorden. Er zal niet op alles een pasklaar antwoord gegeven worden, maar alle knelpunten, aandachtspunten etc worden meegenomen. Er wordt immers een driejaren plan opgezet om het decreet te implementeren.

Tegen de zomer worden er folders op maat gemaakt voor zowel kinderen, jongeren én ouders, opvoedingsverantwoordelijken om hen alvast goed te informeren over het decreet.

De Kinderrechtswinkels ontwikkelen een werkmap die op de regionale dag verspreid wordt onder alle deelnemers: deze map bevat naast het decreet ook de memorie van toelichting, alsook een leidraad voor de implementatie.

In een samenwerkingsverband van drie universiteiten wordt een vormingspakket uitgewerkt, dat opgevat wordt als een ‘train the trainer’ formule: mensen worden opgeleid om op hun beurt anderen te vormen. Deze vorming zoemt in op verschillende toepassingsgebieden van het decreet: hoe omgaan met cliëntinformatie? hoe participatief werken met minderjarigen in de hulpverlening? hoe participatief werken met minderjarigen in het beleid van de voorziening?

Daarnaast kan elke sector beschikken over een bescheiden vormingsbudget om op maat gesneden vorming te voorzien voor de eigen sector: dit pakket wordt in overleg met de administratie en het BOT uitgewerkt door het Steunpunt, waarbij er zeker rekening wordt gehouden met verzuchtingen uit onze sector. Vanaf het najaar 2006 mag u wat dit laatste betreft een en ander verwachten. We houden u zeker verder op de hoogte!

Multi Page Mode

Le nouveau ‘Jeugdbeleidsplan 2006-2009’ est arrivée!

De synthese van het tweede Vlaamse jeugdbeleidsplan is gepubliceerd. Het kreeg als titel (mee)spelen, (mee)spreken en (mee)doen mee. Bij de afdeling Jeugd en Sport is deze publicatie opvraagbaar. Het volledige plan is terug te vinden op www.jeugdbeleid.be/beleid/vlaams_jeugdbeleidsplan. In dit beleidsplan wil men één invalshoek steeds voor ogen houden: het gezichtspunt van jonge mensen wordt als de ultieme toetsteen beschouwd voor alle maatregelen en acties. Onder jeugd verstaat men al die jongeren die zich tussen 0 en 25 jaar bevinden (het gaat hier om ongeveer dertig procent van de Vlamingen).Minister Anciaux wil onder meer een toegankelijk en kwalitatief goed netwerk van jongereninformatiepunten uitbouwen.
Vanuit het algemeen welzijnswerk zijn we blij dit te lezen, want kwaliteitswaarborgen voor goede jongereninformatie zint ons wel.Om dit informatienetwerk goed te coördineren wordt in 2006 het VIP (Vlaams Informatiepunt Jeugd) opgericht. Het beleidsplan bevat ook een aantal beleidsrotondes: op elke rotonde wil men de ontmoeting van het jeugdbeleid met één of ander beleidsdomein behandelen. Zo is er onder meer een beleidsrotonde welzijn, waar men een bijzondere aandacht heeft voor kinderen en jongeren in armoede. We kunnen als welzijnswerkers gerust zijn : de minister wil eerlijke kansen geven voor alle kinderen en jongeren, dus ook voor diegenen met (vaak verdoken) welzijnsnoden.
 

STEUNPUNT ALGEMEEN WELZIJNSWERK vzw - Diksmuidelaan 36a - 2600 Berchem - Tel.: 03 366 15 40 - Fax: 03 385 57 05 - post@steunpunt.be
Alle rechten voorbehouden - DISCLAIMER - Technische realisatie: HolonCom - Ontwerp: Crozz Communication